Hoofdstuk 8: Eten op het schip

‘Bedankt.’ Gerard en de Honoren zijn aan boord gebracht van een cruiseschip via een touwladder. ‘Graag gedaan. Ga maar zitten in kamer 122, de meeste anderen zijn bezet.’ ‘Oke.’ Gerard en de Honoren gaan snel op zoek naar kamer 122. ‘Hier.’ zegt een Honoor en snel gaan ze naar binnen. ‘Gelukkig heeft niemand ons gezien behalve die meneer die ons ophees. Met hem hadden we geluk, hij had de gezocht-poster van jullie niet gezien. Maar als iemand anders ons zag die misschien wel.’ ‘We houden het erop dat we geluk hebben gehad. Wilt u nu kijken of u hier stenen kan vinden? We hongeren nog uit.’ ‘Ik zal kijken.’ Gerard loopt de deur uit. Dan gaat Gerard op zoek naar eten. ‘Kamer 121, kamer 120, 119, 118, 117, 116, 100…? Gerard ziet een kamer zonder nummer. Het enige wat erop staat is: ‘niet binnenkomen!’ Gerard is nieuwsgierig en wil kijken. Voorzichtig pakt hij de deurknop. Fieuw, er komt geen geluid uit. Héél voorzichtig doet hij hem open… Gerard is wel bang. Eerst zet Gerard hem op een kier. Gerard bukt en kijkt door de kier. Wat hij ziet zijn kolen. Hele grote brokken kolen. En een man die ze ergens in gooit. Gerard denkt: ‘Vaart dit schip op kolen? Dit CRUISEschip? Nou ja, de Honoren hebben in ieder geval iets te eten.’ Voorzichtig zet Gerard de deur verder open. De man heeft niks door. Gerard gaat op handen en knieën en kruipt naar de kolenhoop. Geruisloos pakt hij er wat vanaf en gaat hij weer weg. Heel stil deoet hij de deur achter zich dicht. ‘Fieuw, dat is geslaagd. Nu moet ik maar snel terug naar kamer 122, voordat iemand me met kolen ziet.’ Gerard rent naar zijn kamer. ‘Kijk eens wat ik hier heb.’ Alle Honoren zijn blij dat Gerard stenen had gevonden. ‘Maar… ze moeten nog verwarmd worden.’ zegt een Honoor. ‘Anders zijn ze niet lekker.’ ‘Dat is waar, kleine Honoor. Dit schip heeft vast wel een keuken. Ik ga daarnaar op zoek en breng verwarmde kolen mee.’ Alle Honoren juichen. Gerard laat de kolen in de kamer liggen, want pas als hij de keuken heeft gevonden, neemt hij ze mee. ‘Tot zo.’ ‘Tot zo.’ antwoorden de Honoren terug.

Gerard hoefde niet lang te zoeken. De keuken was niet ver weg. Snel ging hij terug naar zijn kamer, haalde de kolen en ging weer terug naar de keuken. Tot zijn verbazing was er opeens een kok. ‘Waar komt u vandaan?’ flapte uit Gerard’s mond. ‘Hoe bedoelt u?’ Gerard moest snel iets verzinnen. ‘Ik bedoel… net kwam ik hier en toen was u er nog niet. Waar komt u vandaan?’ ‘Ik kom uit Nederland, haha!’ ‘Oke, waar komt u vandaan?’ ‘Uit mijn kamer. Het is mijn dienst. Ik moet eten voor iedere hongerige op dit schip maken.’ ‘Eten?’ Het water liep Gerard in de mond. Hij had ook wel trek. ‘Ik ga maar weer verder koken…’ ‘Oke oke, doe maar, is goed.’ Gerard was nog verzonken in gedachten. Plotseling liet hij de kolen die hij achter zijn rug had vallen. ‘Oeps!’ dacht Gerard. Dat was ook wel een ‘oeps’ waard. De kok had het gehoord. Geschrokken keek hij om. Gerard schoof zijn benen bij elkaar zodat de kolen niet zichtbaar waren. ‘Wat liet u vallen?’ ‘Mijn eh… mijn… mijn dagboek!’ ‘Dagboek?’ De kok draaide zich weer om. Je kon hem nog net horen zeggen: ‘Dagboek?’ Snel vroeg Gerard: ‘Mag ik je magnetron gebruiken?’ ‘Nou, dan maak ik wel klaar wat je erin wilt stoppen. Oke? Anders is het gevaarlijk…’ Gerard wist dat de kok niet mocht zien dat hij kolen had. ‘Ikkeh… maak het liever zelf. Is dat ook goed?’ ‘Maar je kunt het beter aan een professional overlaten, en ik wil niet dat het schip in brand vliegt ofzo. Laat het maar aan mij over.’ ‘Nee!’ riep Gerard en hij liep weg. Hij liep wel naar achter, want de kok mocht niet zien dat hij kolen had. ‘Hij is een rare.’ zei de kok nog toen Gerard weg was.

‘Ik heb de kolen niet kunnen opwarmen…’ begint Gerard als hij zijn kamer binnen komt. ‘Waarom niet?’ begint een Honoor gelijk. ‘Omdat er opeens een kok was die per sé wilde dat hij het opwarmde! Maar je kunt het beter aan een professional overlaten, en ik wil niet dat het schip in brand vliegt ofzo. Wat dom.’ ‘Maar hoe moet dat dan? Als je de kolen niet kunt opwarmen verhongeren wij.’ ‘Wees gerust, als die kok weg is warm ik de kolen op. We wachten nu gewoon af…’ Toen stopte Gerard met praten. Er werd geroepen. Gerard spitste zijn oren. ‘ETEN!’ Het was de kok. ‘Ik zal nu snel de kolen opwarmen. En na het eten neem ik ze mee. Als ik het voor het eten zou doen ben ik veel te lang niet aanwezig op het eten. Wacht op me. Ik zal snel eten. Tot straks.’

Gerard rent naar de keuken. De kok is er gelukkig niet. Snel legt hij de kolen in de magnetron. Dan komt de kok. ‘Wat doe jij hier? Weg! Toen maakte hij een wegjagend gebaar. Gerard ging weg. Maar om het hoekje keek hij nog even of de kok niet op de magnetron lette. En dat was ook zo. Toen de kok weg was haalde Gerard snel de kolen uit de magnetron. ‘Ik kan geen groter risico nemen. Nu moet ik ze meenemen.’ Gerard rende met de kolen achter zijn rug naar de eetzaal. Het was een wonder dat hij wist waar die was. Hij ging zitten en legde de kolen onder de tafel. Toen ging Gerard eten. Hij deed er heel langzaam over omdat hij wachtte tot iedereen weg was. Toen kwam de kok. ‘Schiet nou eens op.’ Toen was Gerard klaar. De kok pakte zijn bord en liep ermee naar de keuken. Toen pakte Gerard de kolen en rende naar kamer 122. De Honoren waren uitgehongerd. Gelukkig was hun maaltijd er nu.