Hoofdstuk 6: Het verblijf

‘Hier is je kamer. Zet je spullen maar neer. Kom je zo eten? Ik heb lekkere soep gemaakt.’ Ze loopt weg. Gerard maakt snel de vuilniszak open en haalt de Honoren eruit, die bijna geen lucht meer krijgen. ‘U heeft ons gelukkig op tijd bevrijd. Bedankt.’ ‘Die mevrouw vroeg of ik kwam eten. Ik smokkel wel wat steentjes op de oven en breng ze mee, hoor.’ ‘Tot straks.’ Gerard doet de deur dicht, rent de trap af en gaat aan tafel. ‘Mmmmm, dat ruikt lekker.’ ‘Het is een familierecept. Proef maar.’ Gerard neemt een hap en hij krijgt een grote smile op zijn op zijn gezicht. Hij eet snel door. ‘Wow, jij kunt eten zeg. Eigenlijk wilde ik het ergens over hebben.’ ‘Ik eet wel wat langzamer hoor. Waar wil je het over hebben?’ ‘Over hoelang u wilt blijven.’ ‘Over hoelang ik wil blijven?’ Gerard heeft daar nog helemaal niet over nagedacht. ‘U kunt hier niet altijd blijven. Wanneer dacht u weg te gaan?’ ‘Nou, eigenlijk kan ik niet weg.’ ‘Waarom niet? Je kunt hier niet blijven en je kunt hier heus wel weg.’ ‘Nee.’ ‘Waarom zou je niet kunnen gaan?’ ‘Omdat mijn auto kapot is. Hij is tegen jou huis aangebotst, weet je nog?’ ‘Oh ja?’ ‘Ja!’ ‘Oh ja!’ ‘Ja! Je weet het weer!’ ‘Maar ik kan hem wel maken.’ ‘Wat zeg je? Je bent een vrouw! Die kunnen geen auto’s maken!’ ‘Oh nee?’ Op dat moment loopt de vrouw weg. Gerard eet even verder en dan komt de vrouw terug met iets achter haar rug. ‘Wat zeg je hiervan?’ Ze laat Gerard een orkonde zien waarin staat dat zij afgestudeerd is voor autoreparateur. ‘Oh, jij bent dus de enige…’ ‘Hmpf! Ik ga je auto repareren en dan ga je weg. Begrepen?’ Gerard voelt zich schuldig en antwoordt: ‘Ja.’ ‘Dat is dan afgesproken.’ Dan gaat de vrouw naar buiten. Gerard maakt van de gelegenheid gebruik om wat stenen te verwarmen in haar oven.

‘Hier zijn de steentjes.’ Wanneer de Honoren de stenen zien begonnen ze gelijk te smullen. ‘Binnenkort moeten we ons weer op de weg wagen. Die vrouw gaat onze auto repareren.’ ‘In dat krappe vervoermiddel? Nee hé.’ ‘Het zal moeten. Maar we gaan doorzetten. Jullie kunnen binnenkort weer terug naar huis!’ ‘Thuis…’ Ze zijn niet zo blij dat te horen. ‘Is er wat?’ ‘Thuis, daar zijn we zo eenzaam. Maar alsnog houden we niet van publiciteit.’ ‘Daar kan ik nu niks op verzinnen, lieve Honoortjes. Maar dat zal binnenkort wel kunnen. Nu is het een kwestie van wachten tot we weg moeten.’ Dan hoort Gerard de mevrouw wat roepen. ‘BEDTIJD!’ ‘We moeten nu gaan slapen, Honoren. Morgen weer een dag. Gerard gaat in bed liggen. ‘Oeps, jullie moeten ook nog slapen. En niemand mag jullie zien… Hoe moet dat?’ De leider-Honoor wijst naar de vuilniszak. ‘We gaan onder het bed slapen, en gebruiken de vuilniszak als deken.’ ‘Goed nagedacht, Honoortje. Ik help jullie wel.’ Gerard legt de Honoren onder het bed en legt de vuilniszak over hun lijf. ‘Slaap zacht, lieve Honoortjes.’

De volgende morgen worden Gerard en de Honoren wakker. ‘Ik ga naar beneden om te onbijten, wachten jullie op me?’ De Honoren knikken instemmend. Gerard loopt de trap af, loopt naar de koelkast en kijkt wat de vrouw bij wie ze logeren in huis heeft. ‘Eens kijken… Hee, jam. Dat neem ik.’ Gerard loopt naar de kast waarvan hij denkt dat het brood daar ligt. ‘Nee, hier ligt het brood niet.’ Gerard kijkt in de volgende kast. ‘Aah, hier is het brood.’ Dan ziet Gerard door het raam zijn auto. ‘Wow, zij heeft al veel gedaan. Binnenkort kunnen we weg.’ Gerard gaat aan tafel zitten. Dan komt de mevrouw beneden bij wie ze inwonen. ‘Ben jij al zo vroeg op?’ ‘Eh… Ja.’ ‘Goed dan.’ Ze loopt weer naar boven. ‘Raar. Waarom kwam ze dan beneden? Nou, het maakt mij niet uit.’ Rustig begint Gerard aan zijn boterham met jam. Onder het eten van zijn boterham kijkt hij naar buiten. En daar ziet hij iets heel onaangenaams. Hij kijkt door het raam in de verte. En weet je wat hij ziet? Hij ziet helikopters. Ze zijn van het leger. Ze vliegen recht hierheen. ‘Oh nee. Het leger. Dat was ik helemaal vergeten. Ik moet de Honoren halen en hier weg.’ Gerard rent de trap op, rent naar zijn kamer waar de Honoren hem op staan te wachten. ‘Zijn de steentjes klaar?’ ‘Geen tijd voor steentjes! We moeten hier weg! Het leger is hier in de buurt en ze mogen niet weten dat wij hier zijn!’ Dan horen ze de helikopter. ‘GEEN TIJD MEER! WE MOETEN WEG!’ ‘Maar de helikopter staat voor het huis. De deur is dus geblokkeerd.’ ‘Dan nemen we het raam!’ ‘BENT U GEK?’ ‘Nee, ik ben niet gek. We moeten uit het raam. Luister. Er staat een klimop. Via daar klimmen we naar beneden. Goed?’ ‘Ja.’ Iedereen klimt via de klimop naar buiten. Het gaat met iedereen goed, behalve met de baby-Honoor. Die valt. ‘Kom maar, babytje. Papa heeft je. Niet huilen. Dan vinden ze ons.’ Maar de baby luistert niet. Hij huilt verschrikkelijk hard en Gerard en de Honoren worden gevonden. ‘WEGWEZEN!’ roept Gerard maar dan ziet hij ernst. De auto is nog niet klaar. ‘Helemaal vergeten! De auto! WE ZETTEN HET OP EEN LOPEN! SNEL!’