Hoofdstuk 5: (Op naar) de grens

Gerard is de stad uit, maar hij is het land nog lang niet uit. En hij moet heel veel landen uit. Gerard woont in het plaatsje Zaltbommel, op de grens tussen Gelderland en Noord-Brabant. Hij wil naar des Hertogenbosch. Daarvoor moet hij eerst naar Bokhoven.

Even later is hij in Bokhoven. ‘Uitstappen, we zijn in Bokhoven. We zouden door kunnen rijden maar ik houd niet zo van lange autoreizen.’ ‘Kunnen we alsjeblieft doorgaan? Ik wil niet weer gevangengenomen worden! En mijn kindjes ook niet!’ ‘Weten jullie wat? Ik rust even en jullie blijven in de auto. Als niemand jullie ziet zijn jullie veilig.’ Allemaal zijn ze in voor het idee. Gerard gaat binnen wat rusten en de Honoren blijven in de auto. Alles gaat goed, totdat er een voorbijganger langskomt.

‘Wat zijn dat? Zijn dat… zijn dat die beestjes van die poster? Die gezocht-poster? Die 10.000 euro is voor mij!’ Dan komt Gerard naar buiten. ‘Hee, ga eens weg bij mijn auto!’ zegt Gerard en hij maakt een wegjagend gebaar. ‘Spreek ik met het leger? Ik heb gevonden wat jullie zochten! Die beestjes zitten bij een man in de auto!’ Wanneer Gerard dat hoort, weet hij dat hij weg moet. Gerard racet zijn auto in, start hem en zjoef weg. Dan komt het leger. ‘Ikke… Ik…’ Maar voor de voorbijganger is het te laat. Hij wordt neergeslagen door het leger.

Ondertussen is Gerard de stad uit met de Honoren. Hij gaat naar Den Bosch. ‘Ik zal geen onnodige tussensteden meer bezoeken, jongens. Voortaan alleen als het nodig is. Nu gaan we naar de kant zodat we niet in Den Bosch hoeven stoppen. Ik ga kijken hoe ik moet rijden om de grens over te gaan.’ Gerard kijkt uit of er niemand is – hij is niet op de snelweg – en rijdt dan het grasveld in naast de weg. ‘Kunnen jullie de kaart even aangeven?’ Gerard kan de Honoren horen kreunen omdat ze zo krap iets moeten doorgeven, maar even later heeft Gerard de kaart. ‘Eens even zien… Als we nou zo rijden, dan komen we… Nee, we kunnen beter zo rijden. Ja, zo moet het. Oke, hier is de kaart. Leg hem maar terug.’ Alweer kreunend krijgen de Honoren de kaart weer op zijn plek. ‘Ik zal nu in een keer doorrijden. En ik ga op de snelweg, zodat jullie er hopelijk snel uit kunnen.’

Het gaat een groot deel van de tijd goed, maar bijna bij de grens gaat het mis. ‘Au, mijn rug!’ zegt Gerard geschrokken. ‘Maar… we zijn er bijna. Ik kan niet stoppen. We zijn er bijna, lieve Honoortjes!’ Gerard rijdt hard door. Dan is er een tankstation in zicht. Evenals de grens. Gerard voelt zich heel voldaan en rijdt snel door. Maar wanneer hij bij de grens komt, wordt hij tegengehouden. ‘Zozo, meneertje wil de grens over. Eerst eens even al de bagage bekijken.’ zegt de douane. ‘Mijn bagage bekijken? Sinds wanneer staat hier een douane? De EU heeft lang geleden al besloten dat er geen douane staat binnen alle landen in de EU!’ ‘Er was een spoedopdracht. Iemand zou vluchten met beestjes die veel geld opleveren. Maar genoeg gepraat. Laat die bagage zien.’ ‘Nee.’ ‘Waarom niet?’ Gerard weet niet wat hij moet doen. Gerard rijdt maar snel door. ‘HEE, TERUGKOMEN!’ schreeuwt de douane. ‘Snel in mijn auto, hij moét gewoon die lading hebben, anders vluchtte hij niet!’ De meneer van de douane stapt in zijn auto en racet achter Gerard het westelijke deel van België in. ‘Jullie ontsnappen niet!’ schreeuwt hij wat meters van Gerard vandaan. ‘Honoren, houd je vast! Ik ga hem een paar versnellingen hoger zetten!’ Gerard doet zijn uiterste best om de man van de douane af te schudden, maar het lukt niet. ‘Oke, ik ga de versnelling met 30 omhoog zetten, al mag het niet! Ik moét hem kwijtraken!’ Dan gaat Gerard véél te snel. Zo snel, dat hij niet meer goed op de weg kan blijven en Gerard het gras op scheurt. Maar op dat grasveld stond ook een huis. En – helaas – botst Gerard daartegenaan. Maar gelukkig is hij de douane wel kwijtgeraakt. Maar de auto is kapot. Dat wordt dus lopen. ‘Honoren, gaat het?’ Gelukkig gaat het goed met de Honoren. En ook met Gerard. ‘Ik haal jullie eruit.’ Wanneer Gerard uitstapt, komt er uit het huis waar hij tegen gebotst is een mevrouwtje. Gelukkig heeft Gerard de Honoren nog niet uit de auto gehaald, die ziet ze dus niet. ‘Gaat het?’ vraagt ze vriendelijk. ‘Het gaat wel.’ antwoordt Gerard. ‘Wil je binnenkomen?’ Gerard wil zijn vriendjes niet vergeten. ‘Eh… ik moet nog even wat pakken. Ik kom zo wel.’ Het mevrouwtje gaat weer naar binnen. Gerard doet de klep van de achterbak open. Alle Honoren dringen om eruit te gaan. ‘We hebben gehoord wat u zei tegen die lieve mevrouw. Maar hoe bent u van plan om ons naar binnen te werken zonder dat die mevrouw het ziet?’ ‘Daar zeg je me wat, leider-Honoor. Ik weet het niet. Of wacht, ik denk dat ik een plan heb. Pak mijn vuilniszak eens even…

‘Moest u zoveel pakken?’ Gerard loopt met een vuilniszak het huis van de mevrouw binnen. ‘Tja… het leven is niet altijd even makkelijk, hé? Ik breng dit even naar boven hoor…’ De mevrouw merkt dat Gerard het zwaar vindt en helpt een handje mee. ‘Poeh, dit is zwaar. Wat zit erin?’ Gerard denkt aan de Honoren die hij niet kan verraden en zegt snel: ‘Verwarmde stenen!’ ‘Eh… wat zei je?’ Snel bedenkt Gerard een smoes. ‘Verwarm mijn benen. Ze hebben het koud.’ ‘Oke… dat mag wel in de zomer…’ ‘Als u me niet kwalijk neemt ga ik eerst even met deze zak naar boven…’ ‘Ik wijs je kamer wel aan. Volg me.’