Hoofdstuk 15: De laatste reis

‘GERARD! GERARD!’ Dat is wat de Honoren die niet roeien roepen. Maar het heeft geen zin. Hij is uit het zicht verdwenen. Opeens wordt het roeien makkelijker. ‘Hee, de wind is weg.’ ‘Des te beter.’ De Honoren die aan het roeien waren roeiden door, in de hoop Gerard of land te vinden.

‘Fieuw, de storm is weg. Dat is makkelijker zwemmen.’ Gerard zwemt de hele tijd op zee en probeert de Honoren of land te vinden. Hij weet niet dat een van die 2 elk moment uit kan komen.

Opeens ziet Gerard iets in de verte. Een soort eiland. ‘GERED!’ en zo snel als hij kan zwemmen zwemt hij ernaartoe.

Terug naar de Honoren. Die zijn nog steeds eenzaam op zee aan het roeien… Niks bijzonders dus. Waarom gaan we dan eigenlijk terug naar de Honoren?

Gerard is intussen vlak bij, nee vlakker bij, nee super dicht bij… ach, laat ook maar. Gerard loopt het eiland op en kijkt de kat uit de boom. Dan gaat er een kat een boom in. Gerard haalt uit zijn zak een kaart – zat die erin? – en ziet dat hij hier vlak bij de Amazone is. Hij denkt aan de Honoren, die daarheen moeten. Hij voelt zich verdrietig, want de Honoren zijn er niet. Maar zeg nooit niet. Gerard draait zijn hoofd 90 graden en wie ziet hij daar? De Honoren die naar het eiland varen. Als ze Gerard zien, lijkt het wel alsof ze extra energie hebben gekregen, zo snel beginnen ze te roeien. Ze komen op het eiland en Gerard geeft ze een dikke knuffel. Dat ze bij elkaar terug komen betekent één ding: dat ze door moeten zetten. ‘We zijn hier vlak bij de Amazone. Nog even en jullie zijn thuis.’ ‘Hoera!’ ‘Hee, juich niet te vroeg. We moeten jullie grot nog vinden en die vulkaan die erbij staat…’ Maar dan grist een Honoor de kaart uit Gerards handen. Hij bekijkt hem even en zegt dan: ‘Gerard, kom eens.’ Gerard komt naast de Honoor staan. ‘Onze vulkaan staat ongeveer… hierzo.’ ‘Daar?’ ‘Ja.’ ‘Weet je het zeker?’ ‘Ja.’ ‘Maar dat is nog geen kilometer hier vandaan.’ ‘Echt?’ ‘Ja. En nu alle Honoren verzamelen, dan gaan we ernaartoe.’ ‘Honoren, VERZAMELEN!’ roept de Honoor en alle Honoren komen bij hem en Gerard staan. ‘Voorwaarts, MARS!’ En Gerard loopt met de Honoren de weg die de kaart wijst. Zo gaan ze door moerassen, dichtbegroeide bossen, plekken met wilde dieren, zanderige plekken, enzovoort. Uiteindelijk zien ze in de verte een grot aan de voet van een vulkaan. Dat moest hem zijn. ‘Daar is hij! Daar is hij!’ roept een kleine Honoor en hij rent ervandoor. De andere Honoren halen hun schouders op en rennen er ook naartoe. Om niet achter te blijven rent Gerard ook maar mee. Hij stopt zijn kaart weg. Ze lopen naar de grot toe, maar dan zien ze een persoon die ze al heel lang niet meer waren tegengekomen, en ook niet wouden tegenkomen. Ze zagen Dick daar zitten, met zijn beer!